(ingediend door de heer Filip Anthuenis, mevrouw Sabien Lahaye-Battheu, de heer Guy Hove, mevrouw Annemie Turtelboom en de heer Willy Cortois)


TOELICHTING

Dames en Heren,

Het systeem van gezinshereniging laat toe dat een partner uit een niet-EU land ouders en grootouders naar België kan laten overkomen. Er bestaat echter te weinig controle op de financiële draagkracht van de persoon die zich wettig op ons grondgebied bevindt en die een procedure start om desgevallend partner, kinderen, ouders of grootouders naar ons land te laten overkomen. De persoon blijft achteraf vaak in gebreke, met als gevolg dat de familieleden terechtkomen bij het OCMW. De niet-EU partner weet aldus niet altijd in welke omgeving hij of zij zal terechtkomen. Zo zijn er vaak gebreken vast te stellen op vlak van huisvesting en worden vrouwen soms volledig van de buitenwereld geïsoleerd. Dit kadert samen met het feit dat nog te veel huwelijken worden afgesloten louter en alleen met het oog op het permanent kunnen verblijven op ons grondgebied.

Gezinshereniging en schijnhuwelijken moeten dan ook worden aangepakt. Hierover werd reeds een wetsvoorstel ingediend. Om de positie van potentiële slachtoffers te versterken ten aanzien van dwang vanuit de familie en traditie, kan in de vreemdelingenwet van 15 december 1980 de leeftijdsvoorwaarde van 21 jaar voor beide partners ingeschreven worden. Het permanente verblijfsrecht voor bloedverwanten in de opgaande lijn moet evenwel worden opgeheven. Tenslotte mag een vreemdeling die enkel en alleen huwt om een verblijfsvergunning te verkrijgen, niet langer meer op het Belgisch grondgebied verblijven.

Dit deel van het wetsvoorstel wenst expliciet tegemoet komen aan de passage uit het Regeerakkoord 2003: "de strijd tegen het misbruik van de immigratieprocedures - vooral dan de schijnhuwelijken en de fraude inzake gezinshereniging - zal worden opgevoerd …"Verder werd de procedure om Belg te worden (via nationaliteitsverklaring of naturalisatie) de vorige legislatuur serieus versoepeld. De al dan ingevoerde nieuwe regeling is echter verre van perfect en kent nog heel wat tekortkomingen.

De volgende voorbeelden kunnen deze vaststelling illustreren:
• geen enkel element van bereidheid tot integratie is vereist;
• de term verblijfsduur is onvoldoende gespecificeerd. Voldoen vreemdelingen die hier een legaal tijdelijk verblijf kennen (b.v. studenten van buiten de E.U.) aan de wettelijke voorwaarde drie jaar wettig op ons grondgebied te moeten verblijven? Het is evenmin duidelijk wat dient te worden verstaan onder een werkelijke band met België;
• het cascade-effect: het toekennen van de Belgische nationaliteit aan een vreemdeling doet een subjectief recht ontstaan voor de kinderen die in het buitenland verblijven. Eens zij 18 jaar zijn, kunnen ze immers eveneens de Belgische nationaliteit verkrijgen;
• het Openbaar Ministerie en de Staatsveiligheid krijgen slechts één maand om hun advies te verlenen over een nationaliteitsaanvraag. Bovendien staan er geen sancties op het voorleggen van frauduleuze bewijsstukken.
Onderhavig wetsvoorstel strek ertoe de nationaliteitswetgeving op deze punten aan te passen.
Op termijn echter dient de verlening van naturalisatie door de Kamer van volksvertegenwoordigers te worden afgeschaft. Dit vereist weliswaar een herziening van de artikelen 9 en 74,1° van de Grondwet, bepalingen die heden niet voor herziening vatbaar werden verklaard. Hiertoe zullen dan ook voorstellen worden ingediend.

ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1
De voorgestelde wetswijzigingen betreffen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2
Om de positie van potentiële slachtoffers te versterken ten aanzien van dwang vanuit de familie en traditie, wordt in de vreemdelingenwet van 15 december 1980 de leeftijdsvoorwaarde van 21 jaar voor beide partners ingeschreven. Voor mensen die toch vroeger dan 21 jaar een verblijfsvergunning willen bekomen op basis van huwelijk, wordt een bijzondere procedure voorzien via de Minister van Binnenlandse Zaken of via de door hem gemachtigde ambtenaren die te dezen een onderzoek instellen naar de omstandigheden en de wilsinstemming van de partners. Mensen die willen huwen met personen die in ons land geen verblijfsvergunning hebben, zullen zo een meer weloverwogen keuze maken, ongeacht of dit huwelijk hier of in het buitenland wordt aangegaan. Tevens wordt het misbruik van het huwelijk om een verblijfsvergunning te bekomen voorkomen. Alzo wordt onze wetgeving afgestemd op de evolutie die zich voordeed in de meeste van de ons omringende landen.

Art. 3
Artikel 146bis, Hoofdstuk I van Boek I, Titel V van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te spreken van een huwelijk. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, is er sprake van schijnhuwelijk. Indien er geen sprake meer is van een huwelijk conform voormeld artikel 146bis en het huwelijk nietig kan worden verklaard op basis van artikel 184 van datzelfde Wetboek, moet de vreemdeling kunnen worden terug gewezen of uitgezet.
Het kan immers niet dat een vreemdeling die verblijfsrecht heeft verworven op basis van een frauduleus huwelijk hiervoor wordt 'beloond'. Ergo, indien deze vreemdeling zijn verblijfsrecht verliest, wordt hij gesanctioneerd op een manier die hem het zwaarste treft, vermits het voordeel dat hij haalde uit het schijnhuwelijk hem wordt ontnomen.

Art. 4
Het permanente verblijfsrecht voor bloedverwanten in de opgaande lijn moet worden afgeschaft. Hiertoe dient het artikel 40, §4, 3° en 4° van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 te worden opgeheven. Dit maakt het onmogelijk dat huwelijken worden geregeld, zodat ook aan de ouders verblijfsrecht kan worden toegekend. Hier tegenover kan er gedacht worden aan een regeling die het toeristenvisum voor ouders versoepelt en verlengt. Vandaag sleept die procedure immers vaak te lang aan terwijl ze bovendien telkens moet worden herhaald.

Art. 5
De betrokkene moet kunnen aantonen dat hij bereid is, zich te integreren in onze maatschappij. Deze bereidheid tot integratie moet blijken uit de inspanningen van betrokkenen om werk te vinden, de kennis van de taal of één van de talen te leren van het gebied waar zijn hoofdverblijfplaats zich bevindt, en om het inzicht te verwerven in de democratische rechten en vrijheden. Betrokkene moet alzo beschikken over een bewijs dat hij beantwoordt aan deze criteria. Voornoemde bewijzen worden verstrekt door de bevoegde overheid of een daartoe door de overheid erkende instelling.

Art. 6
Artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt gewijzigd, opdat in het voorschrift kan worden voorzien dat elke vreemdeling die de Belgische nationaliteit wil verkrijgen, minstens vijf jaar ononderbroken op ons grondgebied moet hebben verbleven en een onbeperkt verblijfsrecht dient te genieten conform de voorwaarden van de vreemdelingenwet van 15 december 1980.

Art. 7
De termijn waarbinnen de Staatsveiligheid en het Openbaar Ministerie hun advies moeten verlenen over een nationaliteitsaanvraag wordt uitgebreid van één maand naar drie maanden. Dit is een meer realistische termijn, zoals ook blijkt uit de evaluatie van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit.

Art. 8
De Procureur des konings moet een negatief advies uitbrengen, indien hij vaststelt dat de betrokkene niet in staat is aan te tonen dat hij daadwerkelijk bereid is zich te integreren. De toetsing van deze bereidheid gebeurt op de criteria vermeld in artikel 5 van dit wetsvoorstel.

Art. 9
Artikel 13, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit laat toe dat kinderen van gewezen Belgen alsnog voor de Belgische nationaliteit kunnen kiezen zonder dat er sprake is van een duidelijk aanwijsbare motivering hiertoe. Deze mogelijkheid kan niet deugdelijk worden verantwoord. Terwijl diegenen die de Belgische nationaliteit wenst aan te nemen geruime tijd op ons grondgebied moet verblijven en bereid dient te zijn zich te integreren in onze maatschappij, kunnen kinderen van gewezen Belgen - zonder aan deze voorwaarden te voldoen - de Belgische nationaliteit verkrijgen.

Art. 10
De toelichting bij deze bepalingen is identiek aan die in artikel 5 van dit wetsvoorstel.

Art. 11
De motivering voor het schrappen ligt in het verlengde van de opheffing van artikel 13, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het begrip een werkelijke band met België laat te veel ruimte voor interpretatie. Het is bovendien de bedoeling dat een aantal zeer precieze voorwaarden worden weerhouden waaraan men moet voldoen, wil men de Belgische nationaliteit verkrijgen.

Art. 12
De motivering komt overeen met die in artikel 7.

Art. 13
De Procureur des konings moet een negatief advies uitbrengen, indien hij vaststelt dat de betrokkene niet in staat is aan te tonen dat hij daadwerkelijk bereid is zich te integreren. De toetsing van deze bereidheid gebeurt op de criteria vermeld in artikel 5 van dit wetsvoorstel.

Art. 14
Dit artikel wijzigt de voorwaarden waaraan een vreemdeling moet voldoen om door middel van een huwelijk met een Belg de Belgische nationaliteit te verwerven. De vreemdeling moet voortaan ten minste vijf jaar ononderbroken een onbeperkt verblijfsrecht hebben in België en moet aantonen dat hij of bereid is zich te integreren.

Art. 15
Elke vreemdeling die zich wil laten naturaliseren tot Belg moet kunnen bewijzen dat hij bereid is zich te integreren in de zin van artikel 5 van onderhavig voorstel, en ten minste vijf jaar ononderbroken in België woont alsook er een permanent verblijfsrecht geniet.

Art. 16
Het principe van de werkelijke band wordt opgeheven, rekening houdende met de wijzigingen aangebracht door artikel 14 van dit wetsvoorstel.

Art. 17
De motivering is identiek aan die in artikel 7

Art. 18
Onder bedrieglijke handelswijze dient te worden verstaan: bedreigingen, omkoping en alle andere oneerlijke praktijken. Met bedrieglijke informatie wordt bedoeld onvolledige of verkeerde informatie of vervalste documenten. Het verzwijgen van een relevant feit betekent dat indien men het feit had gekend, de Belgische nationaliteit niet zou zijn verleend.

Art. 19
Dit artikel voorziet in een overgangsregeling.

Art. 20
Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
Filip ANTHUENIS (VLD)
Guy HOVE (VLD),
Sabien LAHAYE-BATTHEU (VLD)
Annemie TURTELBOOM (VLD)
Willy CORTOIS (VLD)

Wetsvoorstel.
HOOFDSTUK I
Algemene bepaling


Artikel 1.
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.HOOFDSTUK II
Wijzigingen aan de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Art. 2
Artikel 10, 4°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de wet van 6 augustus 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Artikel 10, 4°. - de vreemdeling die de echtgenoot is van een tot een verblijf in het rijk toegelaten of gemachtigde vreemdeling of van een tot vestiging aldaar gemachtigde vreemdeling en die met deze komt samenleven en voor zover de twee betrokken personen de volle leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt."

Art. 3
In artikel 21 van dezelfde wet wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt:
"Elke vreemdeling die niet langer voldoet aan artikel 146bis, Hoofdstuk I van Boek I, titel V van het Burgerlijk Wetboek kan overeenkomstig artikel 11 teruggewezen of uitgezet worden."

Art. 4
In artikel 40, §4 van dezelfde wet worden 3° en 4° opgeheven.HOOFDSTUK III
Wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit.

Art. 5
In artikel 12bis, §1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt de inleidende zin vervolledigd met de volgende woorden: "en indien zij houder zijn van het in artikel 14, eerste lid, 4° bedoelde bewijs."

Art. 6
Artikel 12bis, §1, 3° van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Artikel 12bis, §1, 3°. - de vreemdeling die sedert een ononderbroken termijn van ten minste vijf jaar zijn hoofdverblijf heeft gevestigd op het Belgische grondgebied en een onbeperkt verblijfsrecht geniet overeenkomstig de voorwaarden van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De termijn van vijf jaar gaat in op de dag dat de beslissing tot het verlenen van een onbeperkt verblijfsrecht werd bekendgemaakt aan de vreemdeling."

Art. 7
In artikel 12bis, §2, derde en vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "één maand" vervangen door "drie maanden".

Art. 8
Artikel 12bis, §2, derde lid van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende volzin:
"Hij brengt een negatief advies uit als het in artikel 14, eerste lid, 4° bedoelde bewijs ontbreekt."

Art. 9
In artikel 13 van hetzelfde Wetboek wordt 3° opgeheven.

Art. 10
Artikel 14, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt met een littera 4° aangevuld, luidend als volgt:
"Artikel 14, eerste lid, 4° - houder zijn van een door de bevoegde overheid of een daartoe door de overheid erkende instelling uitgereikte bewijs waaruit de arbeidsbereidheid, de kennis van de taal of één van de talen van het gebied waar de belanghebbende zijn hoofdverblijfplaats heeft en het inzicht in de democratische rechten en vrijheden."

Art. 11
Artikel 14, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.

Art. 12
In artikel 15, §2, eerste en derde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "één maand" vervangen door "drie maanden".

Art. 13
Artikel 15, §2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende volzin:
"Hij brengt een negatief advies uit als het in artikel 14, eerste lid, 4° bedoelde bewijs ontbreekt."

Art. 14
In artikel 16, §2, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A) in littera 1° en 2° worden de woorden "ten minste drie jaar" vervangen door "een ononderbroken termijn van ten minste vijf jaar";
B) in littera 1° en 2° worden tussen de woorden "samenleven" en "door" de woorden "mits het bezit van het in artikel 14, eerste lid, 4° bedoelde bewijs" ingevoegd;
C) littera 4° wordt opgeheven.

Art. 15
Artikel 19 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Om de naturalisatie te kunnen aanvragen moet de belanghebbende volle achttien jaar oud zijn, houder zijn van het in artikel 14, eerste lid, 4° bedoelde bewijs, en sedert een ononderbroken termijn van ten minste vijf jaar zijn hoofdverblijf hebben gevestigd op het Belgische grondgebied en een onbeperkt verblijfsrecht genietend overeenkomstig de voorwaarden van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De termijn van vijf jaar gaat in op de dag dat de beslissing tot het verlenen van een onbeperkt verblijfsrecht werd bekendgemaakt aan de vreemdeling."

Art. 16
Artikel 21, §2, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 17
In artikel 21, §3, tweede en vierde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " een maand" vervangen door "drie maanden".

Art. 18
In artikel 23, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden de woorden "of indien de verwerving van de Belgische nationaliteit berust op een bedrieglijke handelswijze, bedrieglijke informatie of het verzwijgen van enig relevant feit" ingevoegd tussen de woorden "als Belgisch burger" en de woorden "van de Belgische nationaliteit".


HOOFDSTUK IV
Overgangsbepaling


Art. 19
Artikel 26 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende paragrafen:

"§11. De verzoeken om naturalisatie die voor de inwerkingtreding van de wet van …
(datum van ondertekening door de Koning) tot wijziging van een aantal bepalingen uit de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het wetboek van de Belgische nationaliteit zijn ingediend op grond van de vroeger toepasselijke bepaling van artikel 21 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepaling.
"§12. De verklaringen die afgelegd zijn voor de inwerkingtreding van de wet … (datum van ondertekening door de Koning) tot wijziging van een aantal bepalingen uit de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het wetboek van de Belgische nationaliteit op grond van de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 11bis, 12bis en 15 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepalingen."HOOFDSTUK V
Slotbepaling

Art. 20
Deze wet treedt in werking op 1 juli 2004.
Filip ANTHUENIS (VLD)
Guy HOVE (VLD)
Sabien LAHAYE-BATTHEU (VLD)
Annemie TURTELBOOM (VLD)
Willy CORTOIS (VLD