| Vraag
van Filip Anthuenis aan de minister van Binnenlandse Zaken
Omtrent de meting van de fysieke conditie van het politiepersoneel
Filip
Anthuenis (VLD):
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij streven
allemaal – zowel het Parlement als de Ministerraad – naar
een vermindering van de administratieve rompslomp bij de politie
en naar meer blauw op straat. Als de politie op straat komt,
dan wordt van de politieagenten evenwel verwacht dat zij over
een uitstekende conditie beschikken, net als onze huidige
minister. U beschikt ook over een uitstekende conditie. De
fysieke paraatheid en inzetbaarheid van het politiepersoneel
is dus zeer belangrijk voor het efficiënt functioneren
van de verschillende politiekorpsen. Sommige zonechefs en
politiezones zijn terecht bezorgd om de fysieke conditie van
het politiepersoneel. Om het personeel te stimuleren om hun
conditie te behouden en/of te verbeteren zouden zij eventueel
een conditietest willen organiseren. Met de resultaten van
deze test zou dan rekening kunnen worden gehouden bij de evaluatie
van de individuele politieman. Op het terrein zorgt dat echter
hier en daar voor wat wrevel bij de vakbonden. Zij staan eerder
weigerachtig ten opzichte van dergelijke maatregelen en komen
ook vlug met juridische argumenten om het een en ander tegen
te houden. Mijn vraag is een vraag naar verduidelijking van
een aantal zaken. Is een dergelijke test op een loopband of
fiets toegelaten? Kunnen de resultaten van dergelijke tests
aangewend worden als objectieve gegevens in een evaluatieverslag
van een personeelslid? Een veelgehoorde kritiek momenteel
is dat op het vlak van de fysieke evaluatie alleen subjectieve
gegevens worden ingevuld. Kan men een dergelijke test verplichten
of moet men rekenen op de vrijwilligheid van het personeel?
Als een dergelijke test toegelaten is, wie krijgt er dan inzicht
in de resultaten? Is het de arbeidsgeneesheer, de werkgever
of bestaan er ook op dit vlak juridische problemen? Mijnheer
de minister, als er problemen zijn, hebt u dan de bedoeling
om hieraan iets te wijzigen?
Minister
Patrick Dewael: Mijnheer de voorzitter, collega's,
ik hecht natuurlijk veel belang aan de fysieke conditie en
de inzetbaarheid van de personeelsleden van – uiteraard –
het operationele kader van de politiediensten, ook al vorm
ik wat fysieke paraatheid betreft op dit ogenblik zelf een
beetje de uitzondering, maar dat zal spoedig hersteld zijn.
Tijdens de basisopleiding wordt er natuurlijk aandacht besteed
aan de fysieke conditie van de aspirant-politieambtenaren.
Door de intensieve opleiding die zij ondergaan wordt hun fysieke
paraatheid op een niveau gebracht waardoor zij aan het eind
van hun opleiding aan alle opgelegde normen voldoen opdat
zij optimaal inzetbaar zouden zijn. Het is belangrijk dat
ook na de opleiding politiemensen hun fysieke paraatheid op
peil blijven houden. Wij moeten hen daarin als overheid stimuleren,
denk ik. De rondzendbrief GPI 37 van 9 april 2003 biedt hun
faciliteiten tot het beoefenen van sport. Ik begrijp de intentie
van een aantal korpschefs om de fysieke inzetbaarheid van
hun personeelsleden verder op te volgen. De korpsleiding kan
deze tests ook verplicht opleggen. Niets verbiedt hun de tests
bij de evaluatie van het personeelslid te betrekken, met dien
verstande echter dat zij geen doorslaggevend karakter mogen
hebben in de totaliteit. Ik denk dat er een aantal situationele
elementen zijn die de resultaten kunnen beïnvloeden.
Ik denk aan de leeftijd van de betrokkene, specifieke
omstandigheden, de individuele toestand van de betrokkene
op de dag van de test, en ga zo maar door. Wel ben ik van
mening dat het noodzakelijk is de invoering en het gebruik
van zulke tests voorafgaandelijk te bespreken in het basisoverlegcomité
van de betrokken zone en ook een en ander met de dienst voor
arbeidsgeneeskunde goed af te stemmen. Ten slotte, wil ik
ook melden, collega, dat de resultaten van de tests, ingevolge
de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken
die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd,
met de nodige discretie moeten worden gehanteerd. Ik ben van
mening dat het globaal genomen niet noodzakelijk is die regelgeving
bij te sturen.
Bron:
Integraal verslag van de Kamercommissie Binnenlandse Zaken
|