Commissie Binnenlandse Zaken 24 maart 2004
Meting fysieke conditie politiepersoneel

Vraag van Filip Anthuenis aan de minister van Binnenlandse Zaken
Omtrent de meting van de fysieke conditie van het politiepersoneel

 

Filip Anthuenis (VLD): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wij streven allemaal – zowel het Parlement als de Ministerraad – naar een vermindering van de administratieve rompslomp bij de politie en naar meer blauw op straat. Als de politie op straat komt, dan wordt van de politieagenten evenwel verwacht dat zij over een uitstekende conditie beschikken, net als onze huidige minister. U beschikt ook over een uitstekende conditie. De fysieke paraatheid en inzetbaarheid van het politiepersoneel is dus zeer belangrijk voor het efficiënt functioneren van de verschillende politiekorpsen. Sommige zonechefs en politiezones zijn terecht bezorgd om de fysieke conditie van het politiepersoneel. Om het personeel te stimuleren om hun conditie te behouden en/of te verbeteren zouden zij eventueel een conditietest willen organiseren. Met de resultaten van deze test zou dan rekening kunnen worden gehouden bij de evaluatie van de individuele politieman. Op het terrein zorgt dat echter hier en daar voor wat wrevel bij de vakbonden. Zij staan eerder weigerachtig ten opzichte van dergelijke maatregelen en komen ook vlug met juridische argumenten om het een en ander tegen te houden. Mijn vraag is een vraag naar verduidelijking van een aantal zaken. Is een dergelijke test op een loopband of fiets toegelaten? Kunnen de resultaten van dergelijke tests aangewend worden als objectieve gegevens in een evaluatieverslag van een personeelslid? Een veelgehoorde kritiek momenteel is dat op het vlak van de fysieke evaluatie alleen subjectieve gegevens worden ingevuld. Kan men een dergelijke test verplichten of moet men rekenen op de vrijwilligheid van het personeel? Als een dergelijke test toegelaten is, wie krijgt er dan inzicht in de resultaten? Is het de arbeidsgeneesheer, de werkgever of bestaan er ook op dit vlak juridische problemen? Mijnheer de minister, als er problemen zijn, hebt u dan de bedoeling om hieraan iets te wijzigen?

Minister Patrick Dewael: Mijnheer de voorzitter, collega's, ik hecht natuurlijk veel belang aan de fysieke conditie en de inzetbaarheid van de personeelsleden van – uiteraard – het operationele kader van de politiediensten, ook al vorm ik wat fysieke paraatheid betreft op dit ogenblik zelf een beetje de uitzondering, maar dat zal spoedig hersteld zijn. Tijdens de basisopleiding wordt er natuurlijk aandacht besteed aan de fysieke conditie van de aspirant-politieambtenaren. Door de intensieve opleiding die zij ondergaan wordt hun fysieke paraatheid op een niveau gebracht waardoor zij aan het eind van hun opleiding aan alle opgelegde normen voldoen opdat zij optimaal inzetbaar zouden zijn. Het is belangrijk dat ook na de opleiding politiemensen hun fysieke paraatheid op peil blijven houden. Wij moeten hen daarin als overheid stimuleren, denk ik. De rondzendbrief GPI 37 van 9 april 2003 biedt hun faciliteiten tot het beoefenen van sport. Ik begrijp de intentie van een aantal korpschefs om de fysieke inzetbaarheid van hun personeelsleden verder op te volgen. De korpsleiding kan deze tests ook verplicht opleggen. Niets verbiedt hun de tests bij de evaluatie van het personeelslid te betrekken, met dien verstande echter dat zij geen doorslaggevend karakter mogen hebben in de totaliteit. Ik denk dat er een aantal situationele elementen zijn die de resultaten kunnen beïnvloeden. Ik denk aan de leeftijd van de betrokkene, specifieke omstandigheden, de individuele toestand van de betrokkene op de dag van de test, en ga zo maar door. Wel ben ik van mening dat het noodzakelijk is de invoering en het gebruik van zulke tests voorafgaandelijk te bespreken in het basisoverlegcomité van de betrokken zone en ook een en ander met de dienst voor arbeidsgeneeskunde goed af te stemmen. Ten slotte, wil ik ook melden, collega, dat de resultaten van de tests, ingevolge de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd, met de nodige discretie moeten worden gehanteerd. Ik ben van mening dat het globaal genomen niet noodzakelijk is die regelgeving bij te sturen.

Bron: Integraal verslag van de Kamercommissie Binnenlandse Zaken